Interview Hans Kuilder - Maasland College
Je bent in het seizoen ’91-’92 pas 22 jaar maar al wel assistent-trainer van Den Bosch. Waarom ambieerde jij zo jong al het trainerschap?
“Ik gaf al op mijn 17de training aan de mini’s. De kinderen dingen aanleren, dat vond ik leuk om te doen. Ik was de hele dag bezig met hockeyen en ben ook op jonge leeftijd naar het Cios in Arnhem gegaan. Tijdens de Cios-opleiding moet je stage lopen en zo kwam ik bij Den Bosch terecht, de club waar ik zelf eerder had gespeeld. Ik ben toen trainer geworden van de jongens onder 18. Dat ging goed. Ik maakte ze gek van het spelletje. Ze moesten van mij ook verplicht kijken naar Heren 1, elke thuiswedstrijd. Daar leer je als speler misschien wel meer van, dan van een training omdat je moet visualiseren. Hoe speelt een ander nou op jouw positie, hoe lost hij problemen op? Ik wilde toen spelers al tot denken aanzetten, zelf een plan laten maken.”
Had je toen al het idee dat het trainerschap voor jou wel eens een carrière zou kunnen zijn, misschien wel een roeping?
Ik zat op het Cios. Op de middelbare school had ik het moeilijk want ik bleek een zware vorm van dyslexie te hebben. Maar op dat Cios haalde ik ineens wèl goede punten. Ik stond gemakkelijk voor een groep en kon mijn plannen duidelijk verwoorden. Dat gaf mij zoveel vertrouwen. Ik dacht toen wel: ik zal naast het trainerschap altijd een baan erbij moeten doen.
Tussendoor ging je een jaar als speler/trainer naar Cernusco in Italië. Hoe kwam je daar terecht?
“Ik was op mijn 23ste de jongste A+B hockeytrainer in Nederland, maar er was in de hockeywereld niet zoveel geld te verdienen. Mijn verkering was uit, ik was als speler niet gekozen voor het Nederlands team (Lammers is in totaal vijfmaal A-international red.) en ik was klaar met de militaire dienst. Mijn vader deed veel zaken met Italië, dus toen Cernusco vroeg of ik daar als trainer/speler aan de gang wilde, was een besluit snel genomen. Ik kon naast het hockey voor het bedrijf van mijn vader de inkoop begeleiden en ook Italiaans leren spreken.” Maar de Italiaanse uitstap duurt maar één jaar. “Den Bosch werd dat seizoen kampioen van de Overgangsklasse en promoveerde naar de Hoofdklasse. Daar wilde ik bij zijn. Ik heb nog wel twee jaar bij mijn vader gewerkt en ben daarnaast hockeysticks gaan verkopen.” In het seizoen ’95-’96 valt Lammers als speler bij het Nederlands team buiten de boot door een enkelblessure. Roelof Oltmans (de huidige coach van Nederlands Heren Hockeyteam red.) is dan al overtuigd van de trainerskwaliteiten van Marc Lammers en stimuleert hem om verder te gaan als coach. Lammers wordt bij Tom van ’t Hek assistent-trainer van het Nederlands vrouwenteam. Dat blijft hij tot hij eind ’97 een telefoontje krijgt. “Het was derde kerstdag en de Spaanse bond hing aan de lijn. Of ik trainer van het Spaanse vrouwenteam wilde worden. De opdracht was om het team te plaatsen voor de Olympische Spelen in Sydney. In Spanje had je twee bolwerken: Madrid en Barcelona en ik stond daar als trainer tussenin. Ik was neutraal en wilde alleen werken aan gezamenlijke doelen. Voor mij was teambuilding essentieel en wie niet mee wilde, viel af, jammer maar helaas. Om Sydney te halen, moesten we op de ranking stijgen van plaats 20 naar 10. We kwalificeerden ons uiteindelijk op doelgemiddelde tijdens een toernooi in Londen.” De Olympische spelen pakken voor Spanje erg goed uit. “Wij kwamen in de halve finale omdat we niet bezig waren met resultaten maar alleen maar met de handelingen. Na de gewonnen wedstrijd die recht gaf op het spelen van de halve finale, merkte een journalist op dat we de finale wel erg dicht waren genaderd. En toen raakte het team – en ik zelf ook – uit balans. Toen werd het resultaat het belangrijkste, kwam er veel meer druk en verloren we de halve finale en werden we uiteindelijk vierde.”
Je hebt tot je vertrek naar Spanje zelf op het hoogste niveau gehockeyd. Leverde dat innerlijke conflicten op? Toch liever zelf aan het spelletje meedoen dan langs de lijn staan?
“Een speler denkt altijd zwart-wit. Denkt alleen aan zichzelf. Dat moet je als coach dus juist niet doen. Dan kijk je naar de gezamenlijkheid en wil je iedereen een kans geven. Ik zat zelf als speler altijd met de vraag: waarom op deze manier, dat kan toch beter? De coaches die ik had als speler kenden mijn kwaliteiten en lieten het toe dat ik aanpassingen pleegde. Maar dat kan alleen als er wederzijds respect is en er één ding duidelijk is: de trainer is en blijft de baas. Het fysieke deel was voor mij veel meer een probleem. Ik gaf training van half vijf tot zeven en daarna trainde ik zelf met Heren 1 en ik was ook nog eens assistent bij het Nederlands vrouwenteam. Ik was geen avond vrij. Als ik daar nu op terugkijk, vraag ik me echt af hoe ik dat heb volgehouden. Dat zou ik nu echt niet meer kunnen.”
Wanneer ben je geschikt voor het trainerschap?
Een coach moet negen competenties hebben en daartoe behoren psychologisch inzicht, tactische kennis, veel knowhow op het gebied van het fysiek, goed kunnen communiceren en organiseren. Hij moet in ieder geval voor alle competenties een zesje hebben maar voor drie aspecten een 8 of een 9. Ik geef mijzelf voor tactiek een 8½ voor techniek een 8 en voor de mentale competentie een 7.” Genoeg zelfkennis is voor een trainer ook wel fijn. “Door mijn tijd in Spanje heb ik veel zelfvertrouwen opgedaan, maar ik ben toch ook redelijk kritisch naar mijzelf gebleven. Ik weet dat ik daadkrachtig ben maar daardoor ook een drammer kan worden. Daar moet ik aan werken; ik kan nu ook beter luisteren naar wat anderen te vertellen hebben.”
Vanaf 2004 behaalt het Nederlands vrouwenteam alleen maar goud. Eigenlijk een logisch vervolg omdat het team vanaf 2001 telkens brons en zilver haalde op de grote toernooien.
“Nu lijkt het makkelijk, maar goud was echt geen logisch vervolg. Mijn concurrenten waren tactisch en technisch net zo goed. Dus de winst moest ik ergens anders halen. 10 Jaar terug hield ik als coach een teambespreking van ¾ uur met heel veel aanwijzingen. Tijdens de rust was ik boos omdat mijn speelsters niet leken te luisteren, maar dat was de verkeerde conclusie. Ik had ze geen deelgenoten gemaakt van mijn plan. Het was niet hùn plan. Mijn mental coach zei:’Ga meer werken met open vragen. Dat nodigt uit tot meedenken.’” Het was voor Marc Lammers een eerste stap om de resultaten van het vrouwenteam positief te beïnvloeden. “We gebruiken nu bij de teambesprekingen veel vaker videobeelden. Van boven want die zijn 3-dimensionaal en die beelden liegen nooit. Het levert herkenbare situaties op. In het begin vonden de speelsters dit niet leuk. Ze keken me boos aan maar ik heb doorgezet. Ze gingen over de spelsituaties praten. Ze moesten ook vóór de groep komen. Uitleg geven. Vanaf die tijd hebben ook alle speelsters een eigen map, waarin ze in eigen woorden aantekeningen maken. Dingen die ze willen onthouden, zoals de wijze van spelen van een tegenstandster. Zodat ze bij een volgende wedstrijd beter voorbereid zijn.”
Voorbereiden is het halve werk?
“Veel meer dan dat. Als je slecht bent voorbereid, speel je ook slecht. Ik heb de winst ondermeer gehaald uit het veranderen van de voorbereiding. Mijn speelsters moeten nu zelf beslissingen nemen. En ik moet als coach speelsters inspireren. Als jij namelijk je eigen plan mag uitvoeren, ben je veel gedrevener. Alle speelsters krijgen 70% van het minimumloon, dus ze doen het niet voor geld. Het gaat om passie, om plezier en het vermogen tot zelfsturing. Dan ontstaat er respect naar elkaar toe en zelfs trots. Neem Fatima (Fatima Moreira de Melo red.), iedereen is nu trots op haar omdat ze het zo goed op televisie doet. Vroeger had dat geleid tot jaloezie.”
Waar is op weg naar de Olympische Spelen van Beijing nog winst te behalen?
“Allereerst in de arbeid/rust-verhouding. Speelsters moeten sneller kunnen herstellen. Als tweede punt de strafcorner. Die moet harder en daarvoor werken we samen met T.N.O. Ook is er nog winst te halen in de voorbereiding. Ik wil graag dat elke speelster een laptop krijgt i.v.m. de zelfstudie. Dan kunnen ze nog gemakkelijker allerlei specifieke aspecten van een wedstrijd bekijken. En de coach werkt dan aan het algemene teamplan en het afstemmen van de linies.
En wat doet de coach na de Olympische Spelen?
“Ik heb niet aan carrièreplanning gedaan omdat ik nooit het gevoel had dat ik een toptrainer zou worden. Dat is veranderd en een bewijs daarvan is, dat er al vier keuzemogelijkheden zijn voor het vervolg van mijn carrière na 2008.” Schrijver van dit artikel suggereert dat het dan wel richting de ‘heren’ zal gaan. Marc knikt ja.
| < Vorige | Volgende > |
|---|

