Op de hoogte blijven





Column januari nummer NL Coach

Het grote verschil tussen die beide finales schuilt hierin: in Athene was ik als coach vooral bezig met het heilige ‘moeten’. We moesten de finale winnen, daar hadden we immers vier jaar lang keihard voor gewerkt. Dit was dé uitgelezen kans, máár: we mochten per se niet op achterstand komen, want dan zou Duitsland het eigen geliefde spelletje kunnen spelen, met alle mogelijke gevolgen vandien. Op die boodschap heb ik in de teambespreking gehamerd. 

Het is, met terugwerkende kracht, een van de domste opmerkingen die ik als coach ooit heb gemaakt. Wie ook maar een beetje verstand heeft van Neuro Linguistisch Programmeren, die weet dat het menselijk brein het woordje ‘niet’ niet kent. Met andere woorden: als ik tegen iemand zeg ‘denk niet aan een roze olifant’, dan gaat diegene onherroepelijk juist wél aan een roze olifant denken. Onbewust ga je programmeren, dat is onvermijdelijk.

Dat is in Athene ook gebeurd. Ik heb in de voorbespreking teveel nadruk gelegd op het resultaat en wat er in mijn ogen vooral niet moest gebeuren, en dat was op een 1-0 achterstand komen. Uitgerekend dat gebeurde, met als gevolg dat er nog meer druk ontstond. In die zin ben ik in mijn eigen val getrapt. De speelsters sleurde ik mee. Ik heb het vooraf te weinig gehad over de handelingen, over hoe wij dat beoogde resultaat zouden kunnen afdwingen. Die handelingen heb je zelf in de hand, het voorkomen van een achterstand slechts ten dele.

Het is me overigens vaker gebeurd, dat ik teveel focus heb gelegd op hetgeen wij niet of onvoldoende beheersten. Onze – inmiddels voormalige – spits Sylvia Karres is daar vermoedelijk het beste voorbeeld van. Een van haar mindere punten was altijd de zogeheten ‘backhandaanname’; hoe neem je de bal met de backhand aan? Daar hebben we eindeloos op getraind, terwijl we haar wapen – de tip-in – in feite links lieten liggen. Juist omdat we in de trainingen zoveel nadruk op Sylvia’s backhand hadden gelegd, gingen mijn speelsters haar in de wedstrijd constant op haar backhand aanspelen. En dus maakte ze op grote toernooien vaak maar één of twee doelpunten.

Na ‘Athene’ hebben we het roer omgegooid: we gingen ons voortaan vooral bezighouden met datgene waar we wél goed in zijn. Dat heeft geholpen. Sylvia werd niet voor niets topscorer bij het WK in Madrid. Vijf van de zes goals kwamen tot stand via de tip-in.

In Madrid hebben we sowieso de lessen uit het verleden in praktijk gebracht. Voorafgaand aan de finale tegen Australië heb ik de speelsters gevraagd wat we een paar maanden eerder hadden gedaan, toen we datzelfe Australië versloegen. Die antwoorden plus wat videobeelden om een en ander te illustreren, vormden de kern van de voorbereiding. Verder heb ik ze vooral gewezen op hun kwaliteiten, en op het hart gedrukt te genieten. Dat deden ze; ze speelden frank en vrij, kwamen in een flow, maar raakten uit die gemoedstoestand toen we op 1-0 kwamen. ‘Vasthouden die voorsprong’, was plotseling de gedachte. Het tegenovergestelde gebeurde; Australië kreeg een onterechte strafbal. Normaal gesproken had onze aanvoerster Minke Booij de scheidsrechter onder vuur genomen. Nu hield ze zich koest, en pakte ze de bal nadat Australië had gescoord, terwijl ze tegen de rest zei: ‘Ik ben blij dat-ie zat, dan kunnen we nu misschien weer gaan hockeyen’. Zo bracht zij de ploeg terug in de flow.

Marc Lammers