Op de hoogte blijven





Column VMBT

‘Ik vraag aan mijn speelsters wat volgens hun de beste oplossing is. Hoe ze die Argentijnse sterspeelster uit moeten schakelen, hoe ze zich bij een strafcorner moeten opstellen. Het alternatief is dat ze alleen maar orders krijgen: je moet dit en je moet dat. En soms hebben ze dan geen zin om jouw mooie plannetjes uit te voeren. Ik dwing mensen om zelf na te denken en geef steeds minder instructies. Ik laat de dames juist zelf komen met plannen en ideeën, ik ben op zulke momenten hun sparring partner. I Ik accepteer natuurlijk niet alles. Maar als ik denk dat er iets in zit, dan proberen we het gewoon. Het kan dan gebeuren dat de dames op hun bek gaan, dat is hun risico. Maar als het lukt, als het werkt, dan hebben ze het zelf bedacht, dan is het hún plan. Dan zijn ze extra trots en lopen ze er extra hard voor. Mijn aanvoerster, Minke Booij, heeft tweehonderd strafcorners van tegenstanders op dvd, waarvan veertig Argentijnse. Die analyseert ze zelf. De speelsters pakken het zelf op, het is een zelfsturend team, zoals dat zo mooi heet.

Let wel, dit speelt zich allemaal af tijdens de voorbereiding. In het toernooi is het experimenteren grotendeels afgelopen. Dan is er genoeg gekletst en neem ik het heft weer veel meer in handen. Ik varieer met de stijlen van leiderschap die ik toepas. Maar je wint een toernooi wel in de voorbereiding.
Zo is het niet alleen in de sport, in het bedrijfsleven is het net zo. Het gaat erom dat je klanten iets herkennen en erkennen. Dan krijg je acceptatie, waardering, motivatie. Ik kan me best voorstellen dat mensen zeggen: jij hebt makkelijk praten, met je selectie van supergemotiveerde topsporters. Dat is heel anders. Maar het gaat om kleine beetjes. Als je ervoor zorgt dat een adviseur of een klant tien procent meer gemotiveerd is, dan is dat al een enorme winst.

Belangrijk verschil is wel dat je bij sport 99 procent van de tijd met trainen bezig bent, en dat het er dan in die ene procent van de wedstrijd uit moet komen. In het bedrijfsleven is het helemaal andersom. Daar moet bijna alles in de praktijk gebeuren en dat is natuurlijk niet goed. Want het resultaat is dat je weinig bij leert. Je doet dingen dan altijd hetzelfde als de vorige keer.’

Werken aan pluspunten
Marc Lammers heeft in zijn trainersloopbaan inmiddels ook geleerd dat het niet bepaald productief is om voortdurend te werken aan wat een speelster níet goed doet. ‘Wanneer je je daar voortdurend op concentreert, dan is dat heel slecht voor het zelfvertrouwen. Het geeft je gewoon een rotgevoel. Daar ben ik ook door schade en schande achtergekomen. Mijn middenaanvalster Sylvia Karres is een goed voorbeeld. Haar zwakkere punt was de aanname van de bal met de backhand. Dan denk je: als we daar aan werken, wordt ze een complete speelster. Maar als ik dan vanaf de zijlijn schreeuwde ‘niet op de backhand’, dan gebeurde het juist wél. Stel dat iemand je vraagt om niet aan een roze olifant te denken. Wat doe je dan? We hebben dus gekeken hoe ze de bal graag wilde hebben: keihard voor haar rechtervoet, om met een zogenoemde tip-in te kunnen scoren. Daar zijn we dus op gaan trainen. Het resultaat was dat ze topscorer werd tijdens het wereldkampioenschap. Fantastisch!’

Kwetsbaar dankzij zelfvertrouwen
Marc Lammers bouwt aan het zelfvertrouwen van zijn speelsters. Bijkomend voordeel is ook dat ze juist dan meer accepteren van anderen en zich ook kwetsbaarder durven op te stellen. ‘Dat doe ik zelf ook. Ik kan spijkerhard zijn en speelsters uit de selectie gooien als het moet, maar je moet het ook kunnen toegeven als je er naast hebt gezeten, als je een fout hebt gemaakt. Door dat toe te geven win je enorm aan respect bij de anderen.

Dromerige, luie spits
Voetballiefhebbers herinneren zich Romario, de Braziliaanse spits die maar zo’n beetje dromerig over het veld liep en hoogst zelden meehielp in de verdediging. Maar bijna altijd maakte hij toch de beslissende goals, en vaak nog wonderschoon ook. Die spits maakt de winnende goal en komt op TV. Hoe gaat Marc Lammers om met de luie superspits en de nijvere waterdrager? ‘Dames roddelen graag, ze spreken wel over elkaar maar net zo makkelijk tegen elkaar. Daarom was er in grote toernooien altijd ruzie. Daar hebben we aan gewerkt, via typologie lieten we de verschillen zien en de speelsters herkenden dat ook, bij zichzelf en bij anderen. Dat waren stevige sessies. Maar na afloop liepen ze wel naar elkaar toe en spraken ze elkaar rechtstreeks aan. Je ziet in interviews nu dat ze elkaar de eer gunnen. De spits die gescoord heeft zegt er meteen bij dat de waterdichte verdediging minstens zo belangrijk was. Ze snappen dat ze elkaar nodig hebben en spreken dat ook uit, ze ménen het. Bij ons zie je een spits na een goal niet met twee duimen naar het eigen rugnummer wijzen.’

De hockeycoach neemt die wat dromerige, maar geniale spits wat meer in bescherming. ‘Als coach met je maatwerk leveren. De nieuwe speelsters moet je geen resultaatdoelen stellen, maar droomdoelen. Anders krijg je faalangst. Maar de ervaren speelsters moet je juist wel op hun resultaten aanspreken. De dromerige spits houd ik iets langer de hand boven het hoofd. Want net als je nergens meer op rekent maakt ze een geniale passeerbeweging. Maar als ze helemaal niet meer scoort, is haar krediet op een gegeven moment ook op. Trouwens: die dromerige speelsters zijn ook heel rustig, relaxed. Dat is belangrijk als tegenwicht voor de zeer daadkrachtige speelsters. Die staan vlak voor een belangrijke wedstrijd helemaal te shaken!’

‘Iemand vraagt je om níet aan een roze olifant te denken. Wat doe je dan?’