Op de hoogte blijven





Interviewverslag maart 2007

Marc Lammers (1969) was als speler een groot hockeytalent. Op 14-jarige leeftijd speelde hij al in Heren 1 bij zijn eigen club en op 16-jarige leeftijd debuteerde hij in de Nederlandse eredivisie, bij Den Bosch. In de dertien jaar daarop zou hij niet alleen in Nederland op het hoogste niveau spelen en vijf keer in Oranje uitkomen, maar ook een jaar in de Italiaanse eredivisie. Na twee jaar bondscoach van Spanje (met een vierde plaats op de Olympische Spelen in Sidney), werd Marc in 2000 bondscoach van het Nederlands damesteam. Met buitengewoon veel succes. Toewerkend naar zijn droom: een gouden plak op de Olympische Spelen van 2008.

Mijn interview met Marc Lammers vindt bij hem thuis plaats, in het Brabantse Haarsteeg, waar hij met zijn vrouw en twee kinderen in het voormalige postkantoor woont. Een sfeervol oud huis waar de bankkluis plaats heeft gemaakt voor de eettafel. We schuiven daar aan om te praten over positief coachen en Marc barst meteen los. Hij blijkt een zeer heldere visie te hebben op coachen. De kern: focus op wat wel goed gaat, stel open vragen aan je spelers en laat ze hun grenzen opzoeken.

Thema: waarom positief coachen
In het begin van zijn coachcarrière lag voor Marc Lammers het accent op technische innovatie. Een revolutionaire hockeystick waarmee je de bal beter vast kan houden, een videobril voor de coach om strafcorners meteen terug te kunnen kijken en oortjes voor de spelers zodat ze de aanwijzingen van hun coach perfect kunnen horen. Zowel die stick als de oortjes zijn inmiddels verboden door de hockeyfederatie. Marc moest dus iets anders zoeken om toch te winnen van ploegen die net zo goed kunnen hockeyen, want de verschillen tussen de teams in de wereldtop zijn minimaal. En dat vond hij: positief coachen. Dankzij zijn mental coach. “Ik ben altijd iemand geweest van experts om me heen. Ik weet veel maar niet alles en dus moet je goede mensen inhuren. Zo ook een mental coach. En die hield niet alleen de spelers, maar ook mij een spiegel voor. Want wie coacht de coach? Als je midden in het proces zit, zie je echt niet alles. Hij leerde mij hoe je spelers beter kunt maken door de wetten van de psychologie te hanteren. Je zorgt ervoor dat spelers optimaal presteren door ze zelfvertrouwen te geven. En dat doe je via een positieve aanpak. Het heeft het verschil gemaakt. Naast een stukje geluk, wat er altijd bij komt kijken, is dat de laatste stap geweest om er voor te zorgen dat we wél eerste zijn geworden.”

“Kijk, ik heb nog nooit een wedstrijd gewonnen op de zwakke punten van het team. Maar dat principe had ik eerst niet door. Vroeger had ik het als coach met mijn spelers vooral over wat zij niet goed deden. Daar hamerde ik voortdurend op. Met als gevolg dat ze het niet zo leuk vonden bij mij. Bij een training bijvoorbeeld keken ze op hun horloge wanneer het afgelopen was. Het plezier was er af. Maar nog erger, het deed hun zelfvertrouwen niet goed. En dat merkte je tijdens de wedstrijden. Onzeker en zenuwachtig waren ze. Want ze waren bezig met wat ze niet goed konden. Door mij! Het gevolg was dat we net niet eerste werden. Natuurlijk waren we goed. Alle Oranjespelers kunnen goed hockeyen. Maar dat kunnen die spelers van al die andere landen ook. Qua hockey zitten al die topteams zo’n beetje op het zelfde niveau. Als je je wilt onderscheiden, zul je dus net dat beetje méér moeten brengen. Dan zul je dus ook onderscheidende spelers moeten hebben. Die specifieke kwaliteiten hebben en daarin excelleren. En daarnaar ben ik op zoek gegaan.”

Thema: waarom een negatieve aanpak niet werkt
“Het werkt in mijn ogen als volgt. Iemand is ergens niet zo goed in. Dan zeg je dat als coach tegen zo’n speler. ‘Daar ben je niet zo goed in, doe dat nou beter.’ Een natuurlijke reflex van een coach. Je ziet wat niet goed gaat en daar ga je aan werken. Je wilt immers dat je spelers beter worden. Het gevolg is wel dat zo’n speler niet lekker in z’n vel zit. Hij moet iets gaan doen waar hij niet zo goed in is. Met alle gevolgen van dien. Maar wat misschien nog wel erger is, je gaat daar ook op trainen en tijdens de wedstrijden op letten. En dat zal best enig effect opleveren, maar echt heel goed wordt het nooit. Het is tenslotte iemands zwakke plek. In de tussentijd heb je verwaarloosd waar iemand wél goed in is. En dat gaat daardoor achteruit. De aandacht ging namelijk naar zijn zwakke plek uit. Zo creëer je middelmatige spelers, waar er heel veel van zijn. Of zoals ik het altijd zeg: eenheidsworsten.”


Thema: hoe ziet positief coachen er in de praktijk uit
“Het kan ook anders. Als je een speler complimenten geeft over wat hij goed doet, krijgt hij zelfvertrouwen. Daar groeit hij van. Het gevolg is dat hij met plezier speelt en veel durft. En dat levert rendement op. Vervolgens ga je trainen op zijn sterke punten en wordt hij nóg beter in waar hij al goed was. Het wordt een uitblinker in het veld. In de tussentijd werk je natuurlijk net zo goed aan zijn zwakke punten. Maar de meeste aandacht gaat uit naar zijn sterke punten. Bij iemand die een sterke backhand heeft en een minder goede forehand, gaat bij mij 80% van de aandacht uit naar de backhand van zo’n speler. Want ik wil niet dat die slechter wordt, nee, die moet juist nóg beter worden. En die forehand verbeter je met al dat trainen bijna stiekem ook. Samen met de lol die de speler hierin heeft, krijg je resultaat. Met de focus op het positieve haal je het beste uit een speler.”

“Een ander voorbeeld: wij zijn heel goed in strafcorners. Bij ons leidt 30% van de strafcorners tot een doelpunt, terwijl dat bij andere toplandenteams op 11% ligt. Maar dat is juist geen reden om dit onderdeel te laten rusten. Sterker nog, juist omdat we daar zo goed in zijn, trainen we er extra op. Tenslotte gaat niet iedere corner er in. We proberen naar 40% te groeien voordat die andere landen het rendement van hun strafcorners ook naar onze 30% hebben gebracht. Zo blijf je altijd voorop lopen.”

“Positief coachen betekent ook dat je van resultaatdoelstellingen naar taakdoelstellingen gaat. Ik bedoel daar het volgende mee. Door een resultaatsdoelstelling breng je veel spanning in een team. Als je zegt dat we de wedstrijd moeten winnen, leg je veel druk op je spelers. Maar zij hebben daar weinig invloed op. Er zijn immers talloze factoren die bepalen of je wint of niet. Dus zij hebben het niet in eigen hand. En worden onrustig. Als je je focust op de handelingen die de spelers in die wedstrijden moeten gaan verrichten, en dus taakdoelstellingen oplegt, geef je ze iets in handen waar ze wél invloed op hebben. Zij bepalen immers zelf of ze hun eigen taak uitvoeren en hoe ze dat doen. Dat levert veel minder stress op. Sporters gaan daardoor net zo goed spelen als op de training. Daar zie je vaak dat alles lukt. Dat komt omdat er dan geen druk op ligt. Dat moet je in een wedstrijd ook zien te bereiken. Ik heb het in mijn teambesprekingen dan ook nooit over winnen. Daar praten wij niet over. Winnen is een gevolg. Wel weet de groep waar wij mee bezig zijn, wat onze droom is. Dat is Olympisch kampioen worden. In een vroege fase heb je het daar met elkaar over. Maar vervolgens praat je met elkaar over hóe we gaan spelen, niet wat we daar mee moeten bereiken.”

Complimenten geven moet je niet alleen in de groep doen, maar vooral ook in een persoonlijk gesprek met je spelers, aldus Marc Lammers. “Bij een nabespreking had ik tegen het team gezegd dat ik trots was op de jongste spelers. Ondanks hun gebrek aan ervaring, hadden zij het bijzonder goed gedaan. Maar ik kreeg weinig reactie. Tot mijn mental coach zei: gaan nou naar die jongste spelers toe en vertel het ze persoonlijk. Toen ik dat deed, glommen hun ogen van trots. Ik begreep daar niets van, want ik had het toch al in de groep gezegd? Het werkt dus pas echt als je het heel persoonlijk maakt: iemand aanspreken, in de ogen kijken en zeggen: ‘ik vond jou heel goed vandaag’. Dat zij weten dat het niet over een groep spelers gaat, maar echt over die spelers zelf.”

“Belangrijk bij positief coachen is ook dat je niet alleen zegt dat je spelers het goed hebben gedaan, maar ook wát ze goed hebben gedaan. En dat je ze dat ook zelf laat vertellen. Stel open vragen. Als je vraagt: ‘Waar ben je goed in?’, hebben ze daar in het begin vaak geen antwoord op. Ze moeten zich daar eerst bewust van worden. En als ze weten waar ze goed in zijn, weten ze ook waar hun verbeterpunten liggen. Ik laat ze daar niet alleen over nadenken, maar ook een plan opstellen. Ze moeten op grond van vragen die ik ze stel zelf analyseren, afspraken maken en acties bedenken, opschrijven, in de groep presenteren, in de praktijk uitproberen, teruglezen, aanpassen. Net zo lang doordenken tot ze op een heel concreet niveau uitkomen, waar ze echt mee aan de slag kunnen. En omdat ze het zelf bedacht hebben, gaan ze er ook echt voor. De acceptatie is dan optimaal. Om beter te worden in waar ze goed zijn lopen ze keihard, zeker als het niet alleen vanuit de coach komt. De motivatie komt echt vanuit de spelers zelf.” Om er meteen aan toe te voegen: “Niet dat het alleen maar draait om wat de spelers zelf willen hoor. Ik denk dat bij mij 60% vanuit mij komt en dat spelers voor 40% zelf mogen meedenken.”

 “Bij positief coachen hoort ook dat je je spelers de ruimte geeft om hun grenzen op te zoeken, wat ze wel niet kunnen en hoe ver ze zich kunnen ontwikkelen. En kun je als speler alleen door fouten durven te maken. Dat betekent dat je als coach niet meteen moet roepen: ‘Niet doen!’. Het zelf ervaren is de beste leerschool.”

Thema: positief coachen bij de jeugd
Het stellen van open vragen werkt net zo goed bij de jeugd, vertelt Marc Lammers. “Mijn dochter van 7 jaar oud hockeyt ook, bij de E-tjes. Mijn vrouw coacht het team. En toen de spelers op een kluitje liepen, zei ze tegen haar: ‘Hier moet je staan!’. In de tweede helft speelt het team de andere kant op en zijn alle posities natuurlijk gespiegeld. Maar mijn dochter ging op precies dezelfde plek staan. ‘Sta je weer verkeerd!’ , riep mijn vrouw boos. Maar in haar beleving deed ze het juist precies goed. Toen ik dat tegen mijn vrouw aangaf, zei ze: ‘Nou, doe jij het dan!’. Ik heb mijn dochter bij me gehaald, op mijn knieën gegaan om op gelijke hoogte te komen en ben haar vragen gaan stellen. ‘Wat is jouw positie?’. Dat wist ze wel: ‘Rechtsvoor.’ ‘Oké’, zei ik toen, ‘en waar is dat, rechtsvoor?’. Ze moest even nadenken. Keek goed naar haar handen om uit te vogelen wat ook al weer links en rechts was, en zei toen: ‘Daar!’. En ze heeft nooit meer fout gestaan.”

Verder moet je bij de jeugd als coach in kleine stapjes denken. Want jij bent in jouw redenatie misschien al veel verder dan het kind. “Een coach riep tegen een speler: ‘Je moet overspelen!’. Maar de speler heeft geen idee wat ie moet doen en houdt de bal bij zich. Waarop de coach boos wordt en de speler de bal maar over de zijlijn speelt. ‘Je moet wel goed kijken’, roept de coach nog kwader. ‘Ik kijk toch’, snauwt de speler terug. Voor zijn eigen gevoel klopt dat ook. Hij kijkt, maar naar de bal die hij bij zich heeft. En niet naar zijn teamgenootjes die vrij staan. Hij heeft dus ook geen idee hoe hij moet overspelen. Een coach die in kleine stapjes denkt, roept niet dat zo’n speler moet overspelen, maar dat ie zijn neus niet naar beneden moet houden maar omhoog. En dan ziet de speler ineens dat zijn maatjes vrij staan en speelt hij de bal wel over. Belangrijk is ook om als coach te vragen aan zo’n speler: ‘Wat moet ik in zo’n geval roepen?’. Als de speler zelf bedenkt: ‘Neus omhoog!’, weet je ook zeker dat hij begrijpt wat je bedoelt als je in het vervolg die aanwijzing geeft.”

Thema: waarom coaches toch kiezen voor een negatieve aanpak
Veel coaches kiezen niet voor een positieve aanpak omdat ze bang zijn dat spelers lui en gemakzuchtig worden. Ben je niet bang dat spelers naast hun schoenen gaan lopen van complimenten? “Nee hoor, helemaal niet. Ze lopen juist harder. Wel moet je een goed moment kiezen. Lang vóór een WK bijvoorbeeld, kies ik wat vaker voor een stevige aanpak. Maar vlak voor het WK kunnen complimenten echt geen kwaad.”

Angst om gezag te verliezen, kan een andere reden zijn waarom coaches voor een negatieve aanpak. Marc Lammers heeft daar niets mee. “Dat staat zo haaks op mijn visie. Waar het om gaat is dat je als coach je spelers beter maakt. Als zij zien dat jij dat kan, heb je hun respect. Niet door ze af te blaffen. Maar juist door ze positief te benaderen en verantwoordelijkheid te geven.”

Waarom veel coaches dan toch voor een negatieve aanpak kiezen? “Ik denk dat het alles met de Nederlandse cultuur te maken heeft. Goed nieuws is geen nieuws. En met het feit dat coaches vaak niet de tijd krijgen om het uit te proberen. Kijk maar naar het voetbal. Niet presteren, dan lig je er als coach nog halverwege het seizoen uit. En als een positieve aanpak niet meteen tot resultaat leidt, wordt dus ook meteen gezegd: zie je wel, het werkt niet. De druk is te groot om er de tijd voor te nemen. Coaches durven dan niet en blijven hetzelfde doen wat ze altijd doen, hoe zij zelf zijn opgevoed. Ik heb een aantal jaren de tijd gekregen om te bewijzen dat het ook anders kan. En dat het effect heeft. Je ziet het ook bij Foppe de Haan. Die heeft heel lang op dezelfde plek gezeten en kreeg dus wel de tijd om er aan te werken. Het kan dus wel, ook in het voetbal. Mijn advies is dus: durf te investeren in positief coachen. Al maak je maar een kleine stap, je spelers voelen het meteen. Misschien dat het eerst ten koste gaat van het resultaat. Oude gewoonten moeten eerst afgeleerd worden. Maar vervolgens gaat het werken en ben je blij dat je het gedaan hebt.”

Thema: talentvolle jeugd snel laten doorstromen
Als jeugdspeler heeft Marc Lammers veel verschillende coaches meegemaakt. En die kozen inderdaad veelal voor een negatieve aanpak. Dat hij daar in die tijd zelf toch niet zoveel last van heeft gehad, komt omdat hij altijd beter was dan zijn leeftijdsgenootjes. “Dat merkte ik en gaf me zelfvertrouwen. Maar dat veranderde toen ik van de jeugd overging naar de senioren. Daar was ik niet meer de allerbeste en werd ik meedogenloos met mijn minpunten geconfronteerd. Het heeft ervoor gezorgd dat ik minder ging presteren. Ik had tijd nodig om mij op mijn gemak te voelen. Achteraf gezien ben ik daar niet zo gelukkig mee. Je moet uitblinkende spelers niet te snel naar boven halen. Het is beter om ze eerst zelfvertrouwen te geven. Laat ze excelleren in hun eigen leeftijdscategorie, zodat niet steeds de nadruk komt te liggen op wat je niet goed kan. En niet wordt verbloemd waar je wél goed in ben. Laat talentvolle spelers dat zelfvertrouwen kweken waardoor ze de top ook echt kunnen halen. Het is bij mij gelukkig goed gegaan, maar ik vind het echt gevaarlijk om talenten te snel te laten doorstromen naar de top.”

Thema: variëren in coachsstijl
“Als coach moet je bezeten zijn van je sport. Als je die passie weet over te dragen aan je spelers, ben je goed bezig. Vervolgens moet je variëren met diverse coachstijlen. De kop boven een interview met een van mijn speelsters was: ‘Ik kan mijn coach soms wel schieten’. Dat lijkt misschien pijnlijk, maar ik was er niet ongelukkig mee. Dat zit ‘m in het woordje soms. Het klopt, ik kan spelers soms keihard aanpakken. Als ik denk, ze verslappen en nu het is het goed om stevig in te grijpen, dan loop ik daar niet voor weg. Je voelt het gewoon als dat een keer nodig is. Ook moet je keihard durven ingrijpen als spelers de afspraken niet nakomen. Dat hoort er net zo goed bij. En ik haal gerust rotstreken uit. In een voorbereidingsfase op een belangrijk toernooi een hele zware tegenstander opzoeken en ze dan vlak voor de wedstrijd heel moe maken. Zodat je weet dat de kans groot is dat je de wedstrijd verliest. Om de spelers weer op scherp te zetten. En als ze wel winnen, hebben ze hun grenzen weer een stukje verlegd en is het ook goed. Of een speelster boos maken om iets kleins. Maar je moet niet áltijd keihard zijn. Als een negatieve aanpak een gewoonte wordt, is het effect weg. De basis is positief coachen, dat werkt. En daar bovenop varieer je.”

Thema: herkennen en acceptatie
“In het begin was ik als coach onzeker. Ik was opgeleid om te weten wat de zwakke punten van mijn spelers waren en daar aan te werken. En dat straalde ik ook uit. Als je mij de naam van een speler noemde, wist ik zo acht zwakke punten op te noemen. Die had ik in het vizier. Vroeg je mij naar de sterke punten van die speler, dan kwam ik hooguit tot één. Want daar had ik eigenlijk niet echt goed over nagedacht. Nu is dat omgedraaid. Ik weet van mijn spelers vooral de sterke punten. En die spelers merken dat. Die durven zich daardoor ook kwetsbaar op te stellen. In een omgeving waarin je met elkaar praat over wat goed gaat en mensen zelfvertrouwen hebben, durven spelers toe te geven waar ze niet goed in zijn. Ze weten dat ook van elkaar en accepteren dat. Want ze weten ook van elkaar waar ze wel goed in zijn. Ik kan dat illustreren aan de hand van het volgende voorbeeld. Een van mijn speelsters is zo fanatiek dat die nog wel eens loopt te schelden op haar medespelers in het veld. Voorheen kreeg die speler voortdurend op d’r kop. En ontstond er ruzie in de groep. Als je echter van elkaar weet dat zo’n speler dat nodig heeft om tijdens een wedstrijd fel te zijn en in het veld vechtlust te tonen, accepteer je dat. Natuurlijk praten we met elkaar over waar de grens ligt, want het moet niet te ver gaan. Maar de spelers weten: zo zit ze in elkaar. Inzicht hebben in hoe je zelf bent en hoe je teamgenoten zijn, dan pas lukt het om elkaar te accepteren. Daar hebben we veel winst uit gehaald. Als je binnen een team zo’n fase van acceptatie hebt bereikt, praten de spelers niet meer over elkaar, maar tegen elkaar. Irritaties worden uitgesproken. En komen ook veel minder vaak voor want mensen worden in hun waarde gelaten. We zien hun kwaliteiten en proberen ze niet anders te maken dan ze zijn. We houden niet van eenheidsworsten, we houden van diversiteit, van verschillende krachten, die opgeteld tot iets unieks leiden. Als een speelster het goed doet op televisie en vaak met haar snufferd op de buis te zien is, ontstaat er bij ons geen jaloezie in de groep. Want die meiden zeggen gewoon: zij is daar goed in, ik ben goed in andere dingen. Dat is respect hebben voor elkaar. Als je die fase bereikt hebt, kun je  werkelijk trots zijn op wat je met elkaar hebt.”