Column
Of ik een column wil schrijven over innovatie? Innovatie in de sport, het hockey of innovatie in het bedrijfsleven? Het maakt niet uit; eigenlijk gaat het om hetzelfde. De valkuil voor het bedrijfsleven is dat er elke dag een wedstrijd wordt gespeeld, maar dat er amper wordt getraind. Dan kom je er dus nooit achter wat voor verschillende mensen je in huis hebt en hoe je die het beste kunt inzetten.
Investeer in gezamenlijkheid. Dat kost tijd en geld, maar op termijn levert het winst op. En hard werken natuurlijk. Wil je beter zijn dan je concurrent, dan moet je knokken. In 2001 hebben we met het Nederlands dameselftal hockey besloten er fulltime mee aan de slag te gaan. We trainen sindsdien niet meer vier, maar acht keer in de week. Als we de beste van de wereld willen zijn, dan moeten we minimaal net zo hard werken als de concurrentie. Dat is de basis. Vervolgens kunnen we ons met behulp van technologische ontwikkelingen verder onderscheiden van de concurrentie.
Ook de manier van leidinggeven kan het verschil maken. Mijn ervaring is dat je als leidinggevende aan gezag wint als je je kwetsbaar opstelt, en door ‘samen te coachen’ je ‘collega’s’ medeverantwoordelijk maakt voor het resultaat. Laat jouw personeel, onder werktijd, actief meedenken over nieuwe innovaties. Dat levert naast waardevolle nieuwe producten betrokken personeel op. Het zijn namelijk hun eigen ideeën die werkelijkheid kunnen worden. Door op deze manier te investeren in training zal de ‘wedstrijd’ bij de klant betere resultaten opleveren.
Tenslotte geldt: niet veranderen betekent stilstaan. Een leuke tegeltjeswijsheid die zowel van toepassing is op het bedrijfsleven als op de topsport. Geavanceerde systemen verschaffen ons een voorsprong op onze concurrentie. Soms balanceren we op het randje, maar als coach doe ik alles wat binnen de mogelijkheden ligt om de tegenstander af te troeven. Ik schuw er niet voor middelen te gebruiken om mijn tegenstander voor te blijven. En die middelen, dat zijn er aardig wat. In samenwerking met TNO heb ik een videobril laten maken zodat ik goed zicht heb bij strafcorners, de vrouwen trainen altijd met hartslagmeters en ze hebben met ‘oortjes’ in gespeeld. Eerst gaf ik tekens door als ik met mijn videobril had gezien waar de ruimte lag voor een strafcorner, maar de tegenstanders gingen mijn tekens opnemen. Na een jaar hadden ze mijn tekens allemaal door. Toen zag ik bij het wielrennen dat de ploegleider contact had met zijn wielrenners. Ik heb toen het reglement bekeken, maar er stond niets in over telecommunicatie met de speelster. Dus dan mag het. De speelsters hebben vervolgens een jaar lang met de ontvangertjes in gespeeld. Niemand had het door.
Innovatieve middelen moeten geen doel op zich zijn, ze moeten voortkomen uit een behoefte, uit evaluatie, uit een plan. Domweg kopiëren is dus niet zo handig. Onze inspanningsfysioloog was jaren geleden tot de conclusie gekomen dat de traditionele cooling down -het rustig uitlopen na een wedstrijd- eerder een negatief dan positief effect had op het herstel van een sporter. Ik introduceerde het ijsbad, waar de speelsters na een wedstrijd gezamenlijk in moeten stappen. Voor een optimaal effect hoeft een kleine speelster echter minder lang in zo’n ijsbad te zitten dan de wat zwaardere speelsters; vier à vijf minuten tegen acht à negen minuten. Maar dat wisten onze concurrenten niet; die kopieerden domweg onze aanpak, inclusief de kinderziekten. Sommige van hun speelsters zaten nadien nog te rillen van de kou. Medelijden had ik niet, wie het afkijken tot kunst verheft, moet niet vreemd opkijken als hij of zij vroeg of laat door de mand valt.
Ja, ik krijg wel eens kritiek op mijn snufjes. Of het eerlijk is om technologische middelen te gebruiken die de tegenstander niet heeft? Ik zie daar geen kwaad in. Met innovatie alleen win je de wedstrijd niet. Zoals ik al zei: hard knokken, daar gaat het om, dat is de basis. Vervolgens kan innovatie je nèt een stapje verder helpen.

